Netherlands 1944-S 10 cents
This specimen was lot 1070 in Schulman sale 375 (Amsterdam, April 2023), where it sold for €800 (about US$1,047 including buyer's fees). The catalog description[1] noted,
"KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, 10 Cent of dubbeltje. 1944 S over P. Hoofd naar links. TYPE IV d (1944). ‘Ouder hoofd’ door J. C. Wienecke. Mt. S + eikel. Te San Francisco voor Nederland geslagen. RRR. NGC MS64. Vrijwel FDC. (kingdom of the Netherlands, Wilhelmina, 1890-1948, ten cent of 1944, S/P mintmark, older head, struck in San Francisco for the Netherlands. About uncirculated.)"
Van dit uiterst zeldzame dubbeltje zijn slechts enkele exemplaren bekend. De aanpassing S over P geeft duidelijk aan dat de stempelproductie voor het dubbeltje van 1944 centraal op één plaats heeft plaats gevonden. Blijkbaar is er sprake geweest van een vergissing die later gecorrigeerd is. Aannemelijker lijkt het ons dat een reeds afgewerkt stempel 1944 P over was en men dit exemplaar heeft gebruikt voor de aanmuntingen te San Francisco. Het is een menselijke gewoonte om, zodra een crisis haar intrede doet, zoveel mogelijk geld ‘op te potten’. Dit gebeurde ook aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Er volgde een bankrun waarbij de bevolking zoveel mogelijk papiergeld probeerde om te wisselen in, liefst, grote zilveren munten. Spaartegoeden werden na de Duitse inval op 10 mei massaal opgenomen: de situatie was zo nijpend dat het ministerie van Financiën op 17 mei 1940 overging tot de uitgifte van de zogeheten ‘Zilverbons’. De biljetten waren bedoeld als tijdelijke vervanging van zilveren munten. De gemeenten (en enkele bedrijven) gaven hun eigen noodgeld uit: vaak eenvoudig van ontwerp en de waarde variërend gesteld van enkele centen tot tientallen guldens. *Muntmeester Dr. J.W. van Heteren had na de inval vernomen dat de bezetter het aanwezige edelmetaal van ’s Rijks Munt wilde innemen. Eind 1940 kreeg Van Heteren daarnaast ook nog een ‘Anweisung’ om voorbereidingen te treffen tot het innemen van alle koperen, nikkelen en koper-nikkelen Nederlandse pasmunt. In 1941 was de geldcirculatie dusdanig gestagneerd dat er wederom een nijpend tekort aan kleingeld bleek te zijn. Omdat Van Heteren de bezetter niet wilde helpen besloot hij deze situatie aan te wenden voor een hoger doel. Op snelle en, tot dan toe nog legale, wijze vermuntte ’s Rijks Munt al het aanwezige metaal en bracht alle aanwezige voorraden in omloop. Vanzelfsprekend wist Van Heteren dat hij nooit kon voldoen aan de grote vraag naar pasmunt en dat de bevolking direct al het nieuw geslagen geld zou oppotten. In juni 1941 waren de voorraden zodanig geslonken dat toen het Duitse bevel kwam om de voorraden metaal in te nemen, men vrijwel niets meer kon leveren. *De bezetter bracht vanaf 10 januari 1942 het welbekende zinken oorlogsgeld in omloop en poogde om de vooroorlogse munten in te nemen, een maatregel waar de Nederlandse bevolking vrijwel geen gehoor aan gaf. Alleen de 2 ½ centstukken zijn in behoorlijke hoeveelheden ingenomen omdat de stukken werden gebruikt in gasmeters. De dienstdoende ambtenaren die de meters leegden overhandigden de munten braaf aan de bezetter. Omdat de vrijwillige omwisseling vrijwel geen effect sorteerde, volgde op 12 september de inleveringplicht: op straffe van zes maanden gevangenisstraf of 1000 Gulden boete was men verplicht al het aanwezige vooroorlogse muntgeld om te wisselen. Op Radio Oranje kon men vernemen dat na de bevrijding het muntgeld gewoon weer geldig zou worden verklaard, waardoor er onder de Nederlandse bevolking maar weinig animo was om de bezetter te helpen met de omwisseling. *Ondertussen liet de Nederlandse regering in ballingschap in de Verenigde Staten munten vervaardigen van het vooroorlogse type. De munthuizen van Denver, Philadelphia en San Francisco vermuntten in totaal 200 miljoen Gulden aan geleend Amerikaans zilver. De zilveren munten werden na de bevrijding naar Nederland verscheept, maar slechts gedeeltelijk in omloop gebracht. Het zilver moest namelijk binnen vijf jaar in natura zijn terugbetaald aan de Verenigde Staten. Daardoor is het grootste gedeelte van deze munten direct weer geretourneerd en omgesmolten. De overslag S over P is pas recent ontdekt. Wanneer men de bekende stukken van deze overslag bekijkt treft men op ieder exemplaar een stempelbreuk aan de linkerzijde aan: het stempel waarmee geslagen werd was dus al flink versleten. Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat de oplage van deze overslag niet bijzonder hoog zal zijn geweest: het stempel werd vanzelfsprekend op tijd vervangen. Bij de ontdekking van deze variant is er een steekproef onder 1000 exemplaren gehouden, het leverde echter geen nieuw exemplaar op. Tot op heden zijn er dan ook maar enkele exemplaren bekend. Zie hiervoor het artikel in de Muntkoerier van november 2011, bladzijde 10. (Only a few copies of this extremely rare dime are known. The repunched S over P clearly indicates that the production of the dies for the 1944 dime occurred in one place. Apparently there was an error that was later corrected. It seems more likely to us that an already finished die 1944 P was left over and this copy was used for the mint in San Francisco. It is a human habit to 'hoard' as much money as possible as soon as a crisis occurs. This also happened on the eve of the Second World War. A bank run followed in which the population tried to exchange as much paper money as possible into, preferably, large silver coins. Savings deposits were withdrawn en masse after the German invasion on May 10: the situation was so dire that on May 17, 1940, the Ministry of Finance proceeded to issue the so-called 'Zilverbons'. The notes were intended as a temporary replacement for silver coins. The municipalities (and some companies) issued their own emergency money: often simple in design and with a value varying from a few cents to tens of guilders. After the invasion, van Heteren had heard that the occupiers wanted to seize the bullion in the Rijks Mint. At the end of 1940, Van Heteren also received an 'Anweisung' to prepare for the confiscation of all copper, nickel and copper-nickel Dutch coins. In 1941, money circulation had stagnated to such an extent that there once again was an acute shortage of change. Because Van Heteren did not want to help the occupier, he decided to use this situation for a higher purpose. The National Mint minted all available metal in a rapid and, until then still legal, manner and put all available stocks into circulation. Naturally, Van Heteren knew that he could never meet the high demand for coins and that the population would immediately hoard all the newly minted money. In June 1941, supplies had dwindled to such an extent that when the German order came to seize the metal stocks, virtually nothing could be supplied anymore. From January 10, 1942, the occupying forces put the well-known zinc war money into circulation and attempted to confiscate the pre-war coins, a measure which the Dutch population ignored. Only the 2½ cent pieces were taken in significant quantities because the pieces were used in gas meters. The officials on duty who emptied the meters dutifully handed over the coins to the Germans. Because the voluntary exchange had virtually no effect, another surrender order followed on September 12: under penalty of six months' imprisonment or a 1,000 guilder fine, people were obliged to exchange all pre-war coins. On Radio Oranje it was reported that after the liberation the coins would simply be declared valid again, which meant that there was little interest among the Dutch population to help the Germans with the exchange. Meanwhile, the Dutch government in exile in the United States had coins of the pre-war type manufactured. The mints of Denver, Philadelphia and San Francisco minted a total of 200 million guilders in borrowed American silver. The silver coins were shipped to the Netherlands after the liberation, but only partially put into circulation. The silver had to be repaid in kind to the United States within five years. As a result, the majority of these coins were immediately returned and melted down. The repunched S over P was only recently discovered. When one examines the known pieces of this variety, one will find a die break on the left side of each example: the die used to strike was therefore already quite worn. It is therefore to be expected that the production of this variety would not have been particularly high: the die was of course replaced in time. When this variant was discovered, a sample of 1,000 specimens was examined, but no new specimen was produced. To date, only a few copies are known. See the article in the Muntkoerier of November 2011, page 10.)"
This billon ten cents was struck at the Philadelphia mint for the Dutch government-in-exile 1941-45. They largely circulated in Surinam and Curaçao. San Francisco and Denver also chipped in during 1944. The homeland type was struck in Utrecht 1926-41. The 1944-S with the normal mintmark is not a rare coin.
Recorded mintage: 64,040,000.
Specification: 1.40 g, 0.640 fine silver, 15 mm diameter, reeded edge, this specimen 1.43 g.
Catalog reference: KM 163, Sch-1061 var.
- Peters, T., J. Scheper and J. Mevius, Muntalmanak 2018, 35e editie, Amsterdam: Nederlandse vereniging van munthandelaren, 2017.
- Michael, Thomas, and Tracy L. Schmidt, Standard Catalog of World Coins, 1901-2000, 47th ed., Iola, WI: Krause Publications, 2019..
- [1]Absil, Eddy, Florentine van Hees, Tim Poelman, Catelijne van den Bosch, Evert Philippeau, Andrew Absil, Schulman sale 375, Amsterdam: Schulman b.v., 2023.
Link to: