Zaltbommel (1579-81) daalder Dav-8895
This specimen was lot 183 in Schulman sale 347 (April 2015), where it sold for €4,800 (about US$6,178 including buyer's fees). The catalog description[1] noted,
"daalder van 30 stuiver. z.j. (± 1580). Stadswal met geschut in poort granaatappel DVRÆ• NECESSITATIS• OPVS. Kz. stadswapen tussen twee leeuwen met een zwaard in de klauwen ❀MONETA• N – O• FACTA• BOE – ME• S•TRI ❀. In deze kwaliteit uiterst zeldzaam. RRR. Vrijwel prachtig. (daalder of 30 stuivers, without date. Obverse: city walls, cannon in gate; reverse: city arms supported by two lions sharing a sword. nearly extremely fine.)
een waarlijk schitterend exemplaar! een vergelijkbaar stuk realiseerde in 2006 in veiling 89 bij Jean elsen een opbrengst van € 16000. de stad Bommel richtte een eigen muntplaats op die haar activiteit begon op 21 oktober 1579. het gehele muntwerk te Bommel werd op eigen kosten opgebouwd door clemens van eembrugge, de vroegere muntmeester van graaf Willem van den Bergh. na vier maanden heftige concurrentie met de nabijgelegen munt van hedel kwam het tot een nauwe samenwerking (14 februari 1580) : een gelijke verdeling van de opbrengsten van de munten van hedel en Bommel gedurende twee jaar. enkele maanden later (in 1580) verplaatste graaf frederik van den Bergh zijn hedelse munt naar Bommel. de Bommelse muntrekeningen tonen aan dat de productie overeenkomstig het akkoord - te Bommel begonnen op 17 februari 1580 - tot 22 augustus 1580 werd voortgezet. op 7 april 1582 werd het muntwerk te Bommel gestaakt. in augustus 1582 was het uit met de samenwerking tussen Bommel en hedel en was graaf Frederiks munt naar hedel teruggekeerd. uit de teksten blijkt dat de Staten van Gelderland in die tijd te kampen hadden met hagemunterij in de Berghse munten van harderwijk en hedel, de munt van Bommel, die van Batenburg en nadien die van Kuilenburg. de maatregelen die holland - zowel alleen als met andere gewesten - nam tegen de hagemunten van hedel en Bommel waren zeer ontoereikend. in juni 1581, na het afzweren van koning filips ii, beslisten de Staten van gelderland plakkaten uit te vaardigen om de ambtelijke bezetting der hagemunten van Bergh, Bommel, hedel en alle anderen, te arresteren en beslag te leggen op hun goederen. op 12 oktober 1581 vaardigde het gelderse hof een plakkaat uit tegen de bezetting van de munthuizen van Bommel, Batenburg en hedel. ditmaal niet tegen die van Bergh : een week later (20 oktober 1581) werd graaf Willem van den Bergh door de landraad tot stadhouder benoemd! de onduidelijkheid en de mogelijkheid tot verschillende interpretatie van artikel Xii van de unie van utrecht zorgden voor permanente meningsverschillen tussen gewest en generalteit in zaken van muntdelicten. de generaliteit bleef inderdaad de munt beschouwen als eene souveraine saecke, raeckende de Staten-generael. de greep van de generaliteit op het muntwezen werd nog versterkt door het groot muntplakkaat van leicester in 1586, de eerste poging na 1579 om de monetaire eenheid in de noordelijke nederlanden te herstellen. dit plakkaat noemde alle hagemunten met naam (enkele nieuwe munten doken op) : Batenburg, hedel, Bergh, Vianen, gronsveld, Rekheim, Jever, Stevensweert, Bommel en gorkum. als in 1587 clemens van eembrugge, muntmeester van Bommel en oud-muntmeester van Bergh, samen met een aantal anderen op last van de Raad van State werden gearresteerd op gelders grondgebied, lokte dit een heftig protest uit vanwege het hof van gelderland. de Bommelse muntactiviteit - in 1582 stilgevallen - werd hernomen in 1589 of kort daarvoor. in 1589 verklaarden de Bommelse burgemeesters aan de Raad van State, dat de muntslag in hun stad geschiedde vanwege de heer van Batenburg. (A truly magnificent specimen! A comparable piece realized a price of €16,000 at auction 89 held by Jean Elsen in 2006. The city of Bommel established its own mint, which commenced operations on October 21, 1579. The entire minting facility in Bommel was constructed at his own expense by Clemens van Eembrugge, the former mint master to Count Willem van den Bergh. After four months of fierce competition with the nearby mint in Hedel, a close collaboration was established (February 14, 1580): an equal division of the proceeds from the coins minted in Hedel and Bommel for a period of two years. A few months later (in 1580), Count Frederik van den Bergh relocated his Hedel mint to Bommel. The Bommel mint accounts indicate that production—conducted in accordance with the agreement and having commenced in Bommel on February 17, 1580—continued until August 22, 1580. On April 7, 1582, minting operations in Bommel were discontinued. By August 1582, the collaboration between Bommel and Hedel had come to an end, and Count Frederik’s mint had returned to Hedel. Historical records reveal that, during this period, the States of Gelderland were grappling with illicit minting activities within the Bergh mints of Harderwijk and Hedel, as well as the mints of Bommel, Batenburg, and subsequently, Culemborg. The measures taken by Holland—both independently and in conjunction with other provinces—to combat the illicit coinage from Hedel and Bommel proved woefully inadequate. In June 1581, following the abjuration of King Philip II, the States of Guelders decided to issue edicts ordering the arrest of the officials staffing the illicit mints of Bergh, Bommel, Hedel, and all others, as well as the seizure of their assets. On October 12, 1581, the Court of Guelders issued an edict against the personnel of the mints in Bommel, Batenburg, and Hedel. This time, however, the edict was not directed against the mint in Bergh: just one week later (October 20, 1581), Count Willem van den Bergh was appointed Stadtholder by the Provincial Council! The ambiguity and susceptibility to varying interpretations inherent in Article XII of the Union of Utrecht gave rise to persistent disagreements between the individual provinces and the States General regarding offenses related to coinage. Indeed, the States General continued to regard coinage as a "sovereign matter" pertaining exclusively to the States General themselves. The States General's authority over monetary affairs was further consolidated by Leicester's Great Coinage Edict of 1586—the first attempt since 1579 to restore monetary uniformity throughout the Northern Netherlands. This edict listed all illicit mints by name (including a few newly established ones): Batenburg, Hedel, Bergh, Vianen, Gronsveld, Reckheim, Jever, Stevensweert, Bommel, and Gorinchem. When, in 1587, Clemens van Eembrugge—the mint master of Bommel and former mint master of Bergh—was arrested on Guelders territory alongside several others pursuant to an order from the Council of State, the incident provoked a vehement protest from the Court of Guelders. Minting operations in Bommel—which had ceased in 1582—were resumed in 1589, or shortly before that date. In 1589, the mayors of Bommel declared to the Council of State that coinage in their city was carried out on behalf of the Lord of Batenburg.)"
Reported Mintage: unknown.
Specification: silver, this specimen 23.53 g.
Catalog reference: Dav-8895, delm. 561; V. 36.1; maill. 18.2.
- Davenport, John S., European Crowns, 1484-1600, Frankfurt: Numismatischer Verlag, 1977.
- [1]Absil, Eddy, Florentine van Hees, Tim Poelman, Catelijne van den Bosch, Evert Philippeau, Andrew Absil, Schulman sale 347, Amsterdam: Schulman b.v., 2015.
- Delmonte, A., Le Bénélux D'or, Amsterdam: Jacques Schulman N.V., 1964, with supplements to 1977.
- van der Wis, Jan, and Tom Passon, Catalogus van de Nederlandse Munten geslagen sind bet aantreden van Philips II tot aan het einde van de Bataafse Republiek (1555-1806), 2nd ed., Apeldoorn, Netherlands: Omni-Trading b.v., 2009.
Link to: